ONZE BOKKEN

Volgende dwergbokken verblijven momenteel in onze stal 't KIMSHOF:

Homer (verkocht sept. '18)

Igor van 't Kimshof

Jerommeke van 't Kimshof

Invictus

Klaas Junior van 't Kimshof

Voor meer informatie over deze bokken, klik op de volgende link:

Ben je meer geïnteresseerd in de dekbokken die wij in het verleden hebben gebruikt of die wij volgend dekseizoen gaan inzetten, klik op de volgende link:

Falco van 't Kimshof, dekbok seizoen '13 - '15

 Olli van 't Kimshof, dekbok seizoen '06 - '14

Het volgend tekstje is leuk om te lezen en schetst een beeld van de geitenhouderij ruim 230 jaar geleden.

 

Uitvoerige beschrijving uit 1778

van M. Noel Chomel en J.A. de Chalmot over bokken

( in de oorspronkelijke spelling )

 

BOK; in 't Latijn Hircus, is het mannetje van de gewoone geit;

 de meeste deezer dieren zijn gehoornd,

 dog men vind er zoorten, daar mannetje en wijfje beide geen hoornen hebben;

 de koleur van het hair, dat hun vagt uitmaakt,

 is zomtijds zeer verschijden in een en'zelfde land als meed hunne groote;

 het gelaat van de bok heeft iets vriendelijks, dat met loosheid gepaart gaat;

 zij zijn wispelturig van aart, aandoenlijk voor liefkoozingen,

 dog men kan'er niet veel op vertrouwen,

 dewijl zij zomtijds al spelende iemand stooten en met de hoornen kwetsen;

 zeer verschillen zij in hun zagtaardigheid met de schaapen,

 en vallen dikwijls op iemand aan, die hun in 't allergeringste niet beledigt;

 ten opzigt van elkander beminnen zij de eenzaamheid,

 en beklauteren steile plaatzen, om te gaan nederleggen;

 daar door zijn zij niet zeer gemakkelijk, om aan kudden te houden en te leiden.

 

Voor geen Dier ter waereld behoeven de Bokken in geilheid te zwigten,

 voornaamelijk de zulken, die gehoornt zijn;

 de afschuwelijke stank die hun altijd verzelt, is er ook een duidelijk en klaar bewijs van;

 de geilheid van dit dier gaat met een buitengemeene sterkte

 en bekwaamheid tot het voorttelen gepaart;

 een Bok voldoet, om geduurende twee of drie maanden

 hondert vijftig Geiten te bespringen;

 dog door deeze drift worden hunne kragten ook dusdanig verspilt,

 dat wanneer zij vijf of zes jaaren bereikt hebben,

 men ze reeds voor afgeleeft rekent.

  

De Bokken, die tot bespringen uitgekoozen worden,

 moeten bijna den ouderdom van twee jaaren bereikt hebben,

 groot van maakzel zijn, met vleessige billen en vast op de pooten staan;

 voorts van een lange baard, en een dik en zagt zwart-koleurige vagt voorzien.

  

Tot de keuze der geiten is zo veel naukeurigheid niet nodig,

 nogthans houd men hiertoe voor de besten, die vlug ter been zijn,

 en niet te min de agterdeelen zwaarlijvig hebben,

 daar bij van groote prammen en lange tepels voorzien,

 als meede zagt en dik hair;

 schoon een Bok van één jaar en een Geit van zeven maanden

 ter voortteelinge wel bekwaam zijn,

 zo brengen zij egter zelden door deeze vroege paaring goede jongen voort.

  

Hoewel de Bokken en Geiten altoos vaardig zijn, om te springen,

 houd men egter de beste tijd daar toe het najaar,

 en voornaamelijk de maand October, dewijl de jongen daar uit geteelt,

 zo verre gekoomen zijnde om te kunnen grazen,

 als dan bekwaam en jong kruid vinden,

 dat in hunne teere maagen kan verteert worden.